Home > Tips & Tricks

TIPS & TRICKS

Op deze pagina delen we casestudy’s, handige tips en slimme trucs om fouten te vermijden in jouw bouwprojecten, en om ze efficienter, duurzamer en kosteneffectiever te maken. In de casestudy’s behandelen we specifieke onderwerpen om jou daar alles over te leren. Bekijk onze ontwerptips & -tricks om inzicht te krijgen in veelvoorkomende fouten en de juiste oplossingen daarvoor te vinden.

CASESTUDY’S

ENERGIEADVIES HISTORISCHE WONING

ALLES OVER BENG

PH Bouwadvies bereidt je voor op de BENG met blogposts, infographics en een webinar

 VERDUURZAMEN APPARTEMENTEN

BINNENKORT BESCHIKBAAR

VEELGESTELDE VRAGEN

Kijk eens bij onze veelgestelde vragen! Bij PH Bouwadvies hebben we antwoorden op al veel van je vragen over bouwadvies, energieadvies, en meer. Klik hier om snel en gemakkelijk de informatie te vinden die je zoekt.

ONTWERP TIPS & TRICKS

BENG & INSTALLATIES

HSB & oververhitting: is jouw ontwerp BENG-proof?

Interne warmtecapaciteit

Een van de nieuwe trends is het toepassen van een HSB casco. Het is een stuk duurzamer dan een traditioneel casco, sneller met bouwen, te prefabriceren en in veel gevallen goedkoper. Het heeft echter 1 groot nadeel t.o.v. een traditioneel casco: een slechtere interne warmtecapaciteit. Waarom is de interne warmtecapaciteit belangrijk? Het is een soort van batterij voor warmte. Het zorgt ervoor dat er minder schommelingen ontstaan bij verwarmen en koelen. De temperatuur wordt opgeslagen in de muren en vloeren en deze geeft de temperatuur gedurende de dag af aan de dalende of stijgende omringende lucht. Hierdoor kan de ruimtetemperatuur langer op niveau blijven zonder dat de verwarming of koeling wordt ingeschakeld.  

Als je dit in het extreme gaat vergelijken zou je kunnen zeggen dat een HSB casco een tentje is in zuid Frankrijk en het traditionele casco een chateau met dikke muren van 1 meter dik. In het tentje zal de temperatuur veel sneller reageren op de weersomstandigheden en het chateau zal veel stabieler zijn. 

HSB casco i.c.m. grote raampartijen. 

De uitdagingen die wij regelmatig zien is een woning met een HSB casco in combinatie met hele grote glaspartijen. Het probleem dat ontstaat is dat er een groot oververhittingsgetal ontstaat in de BENG. Dit heeft effect op indicator BENG 1 en TO jul. TO juli is te tackelen met koeling, maar de problemen blijven dan in BENG 1 welke niet met installaties kunnen worden getackeld. Per 1 juli 2024 wordt het compenseren met koeling ook lastiger door nieuwe aangescherpte regels in de BENG. De oververhitting moet worden gecompenseerd door BENG 1 te verbeteren. Dit kan resulteren in triple glas, verbeterde infiltratie, verhoogde Rc waardes of nog veel beter het toepassen van zonwering. Dit laatste is soms niet mogelijk of niet gewenst. Resultaat is een veel duurder gebouw door al deze maatregelen en in uitzonderlijke gevallen een gebouw wat niet kan voldoen aan de regelgeving.

Ontwerpers tip    

Bij het ontwerpen van een woning met een HSB casco is het van zeer groot belang dat je rekening houdt met oververhitting. Het casco heeft een slechtere batterijfunctie op het gebied van warmte en koude opslag. Vooral de hoge piek die ontstaat bij oververhitting kan een HSB casco slecht mee om gaan. Zorg ervoor dat je geen grote glaspartijen op zonbelaste gevels maakt. Dit zorgt geheid voor problemen. Is dit ontwerptechnisch toch noodzakelijk, zorg er dan voor dat er een voorziening is om de zon te weren. In het casco zelf zou je kunnen kiezen voor isolatiemateriaal wat een grotere interne warmtecapaciteit heeft. In een berekening kunnen wij de interne warmtecapaciteit bepalen, die over het algemeen hoger uitvalt dan de standaardwaarden in de BENG berekening.  

TO juli & oververhitting: hoe houd jij jouw ontwerp koel?

Onderschat onderwerp van de energieprestatie 

Oververhitting lijkt voor veel mensen met een bestaande woning uit de jaren 60 met niet al te veel isolatie niet zo’n groot probleem. Maar iedereen die een goed geïsoleerde woning heeft zal wel begrijpen wat wij bedoelen. De warmte komt er in maar kan er niet uit. En zo ontwerpen wij onze woningen: zoveel mogelijk warmte vasthouden zodat we minder hoeven te stoken in de winter en daarmee energie besparen. Oververhitting is voor ons Nederlanders een nieuw fenomeen, waar we vroeger nauwelijks mee te maken hadden. Oververhitting ontstaat door de zoninstraling die op een object schijnt en dit vervolgens opwarmt. Dit kan een vloer zijn, een kast of een tafel. Die warmte zit dan in onze thermische schil en die thermische schil is erop gemaakt om warmte vast te houden. Resultaat: een oncomfortabel gebouw met een te hoge interne temperatuur. Vergelijk jezelf in de situatie waar het op een mooie zomerse dag 29 graden is en jij zit op een bankje in de volle zon met je dikke winterjas aan. Dat is hetzelfde effect wat er in je woning gebeurt. Jij kan je jas uittrekken maar dat kan natuurlijk niet bij je woning.

Toetsingsindicator TO juli 

Om deze problematiek te beoordelen is er TO juli toegevoegd als toetsingsindicator bij de BENG. In de EPC was deze ook al meegenomen, maar zat deze wat verstopt in de berekeningen. Het TO juli getal geeft een indicatie van de mate van oververhitting en wordt bij woningen al snel overschreden als er veel glas aanwezig is in de woning en geen zonwering wordt toegepast. De meest eenvoudige oplossing is om actieve koeling als een airco toe te passen waarbij het toetsingsgetal direct op 0 komt te staan. Per 1 juli 2024 wordt deze eis strenger en zal het effect van koeling moeten worden onderzocht. Het kan dan zijn dat het effect van de koeling minder effect heeft op het TO juli getal en er dus andere maatregelen zoals zonwering toegepast moeten gaan worden om oververhitting tegen te gaan.  

Ontwerpers tip    

Houd rekening met oververhitting in je ontwerp. Denk na over de oriëntatie in relatie tot de indeling van je gebouw. Maak geen grote glaspartijen op zonbelaste gevels. Is dat ontwerptechnisch toch noodzakelijk, zorg dan voor een zonwering. Maak overstekken niet te klein en plaats ze niet te hoog boven je kozijnen. Maak zonwering een onderwerp in je eerste gesprekken met de klant. Denk na over alternatieven zoals bedienbare zonwering en integreer deze in de details als je ze niet wil laten zien. Hiervoor zijn tegenwoordig diverse oplossingen beschikbaar op de markt. Neem installatietechnisch een vorm van koeling mee in je programma van eisen en budget in je begroting.

Overstekken & zonwering: kent jouw ontwerp de 45-graden regel?

De 45 graden hoek

Veel ontwerpers denken dat een overstek de oplossing is om oververhitting tegen te gaan. Helaas is dit in de praktijk niet het geval. Belemmeringen moeten dusdanig groot zijn om effect te hebben op oververhitting. Vanaf het hart van het kozijn telt het overstek pas mee als deze een hoek vormt onder 45° graden of meer. Heb je een kozijn van 2,6 meter hoog dan moet de overstek dus minimaal 1,3 meter uitsteken wil dit effect hebben op de BENG. Bij puien die over de gehele hoogte zijn toegepast resulteert dit in een flinke uitstekende luifel. 

Een andere vorm van zonwering die veel wordt toegepast zijn vaste lamellen. Vaste lamellen zorgen inderdaad voor een verminderde zontoetreding en hiermee een verlaagde oververhitting. Helaas zorgt dit gedurende het gehele jaar voor minder zontoetreding, dus ook in de wintermaanden, waar de zon zorgt voor gratis verwarming. Deze vorm van zonwering zorgt voor een slechter BENG 1 getal, wat weer kan zorgen dat er triple glas, verbeterde infiltratie of een verbeterde schil toegepast moet worden. Hetzelfde geldt overigens ook voor zonwerende beglazing. 

Ontwerpers tip    

Heb je in je ontwerp hele grote glasoppervlakken ontworpen en wil je de oververhitting reduceren door middel van een luifel, zorg er dan voor dat je met je overstek vanaf het hart van het kozijn een minimale hoek van 45° graden vormt. Alleen dan telt het overstek mee in de berekening. Maak het overstek niet te hoog t.o.v. het kozijn waarbij je de zoninval wil beperken. Hoe lager het overstek getekend is, des te gunstiger is dit voor de belemmering. Is het overstek puur esthetisch, overweeg dan screens te integreren in de constructie zodat er toch zonwering aanwezig is om oververhitting te voorkomen.  

Ontwerpen in een bosrijke omgeving? Denk twee keer na over bomen & BENG

Een andere misvatting die wij regelmatig tegenkomen is dat men denkt dat bomen een rol kunnen spelen in de BENG. Dit komt vaak voor bij bijvoorbeeld vakantiewoningen die in een bosrijke omgeving worden geplaatst. De woningen hebben vaak een HSB casco en daarmee een flinke oververhitting. Resultaat van de berekening is dat er een koeling toegepast moet worden en dat de woning voorzien moet worden van triple glas en een zeer goede infiltratie. Om de grote koelcapaciteit te compenseren is BENG 2 vaak ook hoog. Dit wordt dan opgelost door veel zonnepanelen op het dak te plaatsen. In de berekening klopt de boel nu, maar in realiteit zullen deze panelen natuurlijk niet hetzelfde effect hebben doordat ze veel belemmering hebben van de bomen. Resultaat is dat er een ongebalanceerde woning wordt gebouwd. 

De reden dat deze bomen niet meegenomen worden is dat deze gedurende het jaar sterk kunnen veranderen door het vallen van het blad of doordat men sterk gaat snoeien of zelfs de gehele boom gaat verwijderen. Dit zorgt voor een te fluctuerende en onvoorspelbare manier van berekenen waardoor besloten is om deze niet mee te nemen. 

Ontwerpers tip    

Als je met deze gedachte naar je woning gaat kijken, is het verstandig om hierop je ontwerp aan te passen. Benader het gebouw alsof de bomen die eromheen staan er niet zijn. Houd rekening met je oriëntatie. Maak geen grote glaspartijen op zonbelaste gevels. Is dat ontwerptechnisch toch noodzakelijk, zorg dan voor een zonwering. 

Passieve koeling & BENG: is ventilatie genoeg om oververhitting te voorkomen?

Waar je voorheen in de EPC met passieve koeling een groot deel van je oververhitting kon tackelen gaat dit in de BENG niet meer op dezelfde manier. Passieve koeling met het ventilatiesysteem is het extra ventileren in de nacht om zo meer lucht van een lagere temperatuur in de woning te krijgen. Dit werkt natuurlijk alleen maar gedurende de nacht en kan beperkt ingezet worden overdag omdat de temperatuur over het algemeen veel hoger zal zijn dan de binnentemperatuur. Om deze reden wordt passieve koeling middels ventilatie in de BENG anders beoordeeld dan voorheen. Het effect op het TO juli getal is ook anders dan bij een actief koelsysteem zoals een airco. Waarbij bij het toepassen van actieve koeling het TO juli getal 0 wordt zal bij passieve koeling een vergelijkbaar effect ontstaan als bij zonwering. Het getal zal hierin dalen, maar nog steeds aanwezig zijn. Na 1 juli 2024 zal ook de actieve koeling anders worden beoordeeld en het TO juli getal in sommige situaties niet meer 0 zijn, maar sterk verminderen. De enige koeling die nu als passief gezien wordt is de koeling door middel van een bodemwarmtepomp. 

Ontwerpers tip    

Koelen via het ventilatiesysteem kan gebruikt worden als methode om de warmte die opgebouwd wordt gedurende de dag te verwijderen. Overdag doet het ventilatiesysteem niets om oververhitting tegen te gaan en ontstaat er een onbehaaglijk binnenklimaat. Hiervoor is een echt koelsysteem nodig, zoals een airco of koeling via een warmtepomp. De meeste woningen zijn tegenwoordig uitgerust met een warmtepomp. Bij de meeste systemen is het ook mogelijk om te koelen. Maak gebruik van deze functie, zodat de woning een manier heeft om oververhitting ook overdag tegen te gaan. Realiseer je dat de warmte opgeslagen wordt in de constructies waardoor het langer duurt voordat de woning afkoelt. Door de temperatuur laag te houden, wordt er ook minder warmte opgeslagen in het casco waardoor de temperatuur langer behaaglijk blijft. 

Thermische schil & gebruiksoppervlak: weet jij hoe kelders jouw BENG-score beïnvloeden?

Verhouding tussen thermische schil en het gebruiksoppervlakte. 

Een ander lastig te toetsen gebouw is een grote woning met een flinke kelder eronder. Het probleem ontstaat in de toetsingseis die zeer streng is. De toetsingseis voor BENG 1 wordt bepaald door de verhouding uit te rekenen tussen thermische schil en gebruiksoppervlakte (GO). Hiervoor zijn verschillende categorieën die een toetsingsgetal bepalen. Een woning met een kelder over het gehele grondvlak van de woning heeft naar verhouding weinig thermische schil t.o.v. het gebruiksoppervlakte. Hierdoor krijgt het een strenge eis. Het resultaat is dat de woning vaak voorzien moet worden van triple glas, scherpe infiltratie en sterk verbeterde Rc waarden. 

Ontwerpers tip

Een oplossing hiervoor is over het algemeen lastig. Wat wij vaak als oplossing aandragen is dat de kelder gedeeltelijk of geheel als overige gebruiksfunctie gezien wordt en daarmee buiten de thermische schil komt te liggen. Gekozen kan worden om deze wel of niet als verwarmd te zien. Dit heeft weer een effect op de thermische schil. Vaak wordt er bedacht om in de kelder verblijfsruimtes te maken. Niet alleen BENG technisch is dit lastig, maar ook BBL regeltechnisch zorgt dit voor problemen. Er kan lastig worden voldaan aan daglicht, spuicapaciteit  en ventilatie als dat natuurlijk is geregeld. Meer hierover in de andere delen over deze onderwerpen. Een verblijfsruimte is altijd onderdeel van het energiegebouw, dus daarmee onderdeel van de BENG. Probeer dus geen verblijfsruimten in de kelder te ontwerpen om deze reden, zodat dit als overige gebruiksfunctie gezien kan worden. 

Garages & BENG: is jouw garage ontwerp een energielek?

Sterk geventileerde ruimte

Dit is de meest gemaakte opmerking die wij maken bij een vrijstaande woning of hoekwoning. Rondom de woning en de garage wordt een thermische schil getekend. Daarmee wordt verondersteld dat de garage in de thermische schil valt. Maar dit is een misvatting, want de garage is namelijk een sterk geventileerde ruimte waardoor deze gezien wordt als een buitenruimte. De reden dat de garage zo sterk geventileerd moet worden, is vanwege de uitlaatgassen die er in de ruimte worden uitgestoten wanneer de auto gestart wordt in de garage en wegrijdt. Om deze uitlaatgassen te verwijderen uit de ruimte dient er minimaal 3 l/s/m² te worden geventileerd. Dit is ruim 3x zoveel als een verblijfsruimte. Bij toepassing van een garage moet de scheidingswand tussen de woning en de garage dus geïsoleerd worden met een minimale Rc waarde van 4,7 m²K/W. Ook hierover is vaak een misvatting dat dit lager mag zijn dan in het bouwbesluit staat voorgeschreven en dat hier een versoepelend artikel voor is. Dit is niet correct. Voor deze wandconstructie geldt een Rc eis zoals die geldt voor een buitenruimte.

Inpandige garages

Bij inpandige garages of garages in de kelder is er nog een tweede aandachtspunt. Niet alleen de wanden moeten worden geïsoleerd, ook het plafond van de garage moet worden geïsoleerd. Net zoals bij de wanden wordt dit gezien als een buitenruimte omringd door buitenlucht. Dit betekent dat de Rc waarde van deze constructie minimaal 6,3 m²K/W moet zijn. Vaak zien wij hier de Rc waarde van de begane grondvloer (3,7) of de Rc waarde van de gevel (4,7), maar dit is beide incorrect. Rc 3,7 mag alleen toegepast worden als de vloer grenst aan grond of lucht van een kruipruimte. Een vloer grenzend aan buitenlucht, zoals een overkraging van een vloer, moet voldoen aan een Rc waarde van 6,3. Een vloer boven een garage kan je dus zien als een overkraging.
Een ander detail wat aandacht behoeft bij een inpandige garage is het vloer detail. Hier kan een koudebrug ontstaan. Let hierop bij de detaillering

Ontwerpers tip    

Tegenwoordig zetten maar weinig mensen hun auto nog echt in de garage en wordt de garage gebruikt als opslagplek voor van alle soorten troep en worden er fietsen gestald. In zo’n situatie is het geen garage en dus geen stallingsplaats voor een motorvoertuig. Het is dan raadzaam om de garage te hernoemen tot berging. Een berging hoeft niet sterk te worden geïsoleerd en valt daarmee binnen de thermische schil. Bedenk dus goed welke functie je de ruimte geeft. Wordt er wel een auto gestald dan is het wel raadzaam om deze ruimte sterk te ventileren. 

Technische ruimtes: past alles er wel in?

Steeds meer installaties

Waar we jarenlang niet na hoefde te denken over welke installatie in de woning of appartement geplaatst zou worden, is dit tegenwoordig wel anders. De installaties worden steeds ingewikkelder en groter. Woningen moeten steeds energiezuiniger worden en dit wordt naast isolatie, geregeld door de installaties. Helaas gaan de ontwerpen op dit vlak niet mee met hun tijd en zien wij regelmatig een technische ruimte die niet eens 1 m² bedraagt. Hier moet dan een WTW en warmtepomp in worden geplaatst en vaak is deze ruimte ook al gereserveerd voor de wasmachine en droger. Ook worden de technische ruimtes verstopt op een zolder waar het hoogste punt net de 2 meter haalt. Wij snappen dat de technische ruimte niet de meest sexy ruimte is om rekening mee te houden en dat een grote woonkamer natuurlijk veel belangrijker is, maar dit is helaas wel noodzakelijk om het gebouw energiezuinig te laten functioneren.

Wat staat er tegenwoordig allemaal in een technische ruimte   

Waar je bij het ontwerpen van een technische ruimte rekening mee moet houden is dat er minimaal 2 lomp grote installaties in komen te staan. De binnenunit van een warmtepomp is te vergelijken met een vrijstaande koelkast. De meeste modellen zijn 60x60cm in grondvlak en ongeveer 1,4 à 1,6 meter hoog. Vaak wordt er ook een buffervat naast geplaatst indien de gebruiker meer warmtapwater voorraad wil hebben. Ook deze vaten hebben een vergelijkbare afmeting als de binnenunit van de warmtepomp. Rondom de binnenunit en boilervat moet nog ruimte aanwezig zijn om leidingen aan te sluiten en onderhoud te kunnen plegen. Je kan je dus voorstellen dat deze niet op een lage zolder past of onder een trap. Hiervoor moet voldoende vrije hoogte aanwezig zijn om de installatie te plaatsen en deze aan te sluiten.
Naast de warmtepomp wordt steeds vaker een WTW geplaatst. Een WTW unit is een behoorlijke slag groter dan een mechanische afzuiging. Dit heeft onder andere te maken met de warmtewisselaar die erin zit en een aantal filters. De afmeting van een WTW is vaak 60x60cm in grondvlak en 80 cm hoog. Rondom de installatie worden meerdere slangen van ø125 of ø160 aangesloten op de installatie. Deze slangen komen uit de vloer of via het plafond naar beneden. Er is dus vaak geen ruimte om eronder of erboven iets te plaatsen zoals een wasmachine of droger. Deze installaties zouden op een lage zolder geplaatst kunnen worden, maar ook dat wordt krap. Houd er rekening mee dat de kap open moet kunnen om de filters te kunnen vervangen. Afhankelijk van het model gaan deze naar boven of naar links en rechts open. Hier moet ook ruimte voor zijn.  
In de technische ruimte wordt vaak ook de verdeler van de vloerverwarming geplaatst. Deze wordt ook wel eens onder de trap geplaatst in de woonkamer. Hiervoor is gelukkig niet zo heel veel ruimte nodig, maar je moet hem niet vergeten. Ruimtereservering is 60x30cm als grondvlak en 60 à 80 cm hoog en deze staat altijd op de grond. Vaak wordt hier een box omheen getimmerd.    

Ontwerpers tip

Voor een technische ruimte voor een vrijstaande woning moet je toch echt rekening houden met 4 à 6 m² voor een technische ruimte. Het gaat er niet alleen om dat de installaties erin passen, maar er moet ook rekening gehouden worden dat een installateur hier nog onderhoud aan kan plegen. Om ruimte te besparen zou je een stuk verkeersruimte kunnen gebruiken als technische ruimte tijdens onderhoud door 2 openslaande deuren toe te passen bij de technische ruimte. Door de 2 deuren open te zetten ontstaat er werkruimte, waardoor de installateur goed bij de installaties kan en er geen onnodige ruimte verloren gaat. Voor appartementen zou de technische ruimte iets kleiner kunnen omdat hier ook vaak een lichtere installatie benodigd is. 4 m² heb je toch al snel nodig voor een technische ruimte van een appartement.
Wees bewust van de afmeting van de machines en maak er geen ondergeschoven kindje van in je ontwerp. Ga je een technische ruimte ontwerpen, zoek dan op wat de minimale afmeting is van een installatie en teken ook de werkruimte in die nodig is. Werkruimte voor de WTW en de warmtepomp kan je natuurlijk combineren, zodat er een compacte technische ruimte ontstaat die niet te veel ruimte kost. 

Hoofdverwarming: weet jij welke installaties niet (meer) zijn toegestaan?

Een veel gekozen oplossing die niet is toegestaan 

Bij kleine woningen en vakantiewoningen wordt vaak gekozen voor een goedkope installatie, omdat er onvoldoende budget is voor een volwaardige warmtepomp of dat het gebruik maar tijdelijk is waardoor men het budget niet overheeft voor een dure warmtepomp. Op aanraden van een installateur wordt er dan gekozen voor elektrische vloerverwarming, al dan niet met infraroodpanelen. Niet alleen is dit installatietype niet toegestaan als hoofdverwarming volgens de EPBD III (Energy Performance of Buildings Directive), maar ook verbruikt deze installatie veel energie door zijn slechte rendement. Vaak wordt als tegenprestatie het verbruik gecompenseerd met een hele hoop zonnepanelen. Nu anno 2024 is het misschien nog wel te compenseren met zonnepanelen, maar dit kan in de toekomst gaan veranderen. De salderingsregeling staat al ter discussie en zal komende jaren toch echt gaan verdwijnen of veranderen. Dit betekent dat in de winterperiode waarin er de minste zonuren zijn en de meeste warmtevraag van de woning, er alsnog een flinke energierekening zal ontstaan. Het terugleveren aan het net zal dan niet meer mogelijk zijn of niet meer wordt gecompenseerd. 

De installaties moeten niet ingezet worden als hoofdverwarming, maar alleen worden gebruikt als bijverwarming, als ondersteuning van de hoofdverwarming. Denk bijvoorbeeld aan een elektrische radiator in de badkamer die de handdoeken op gezette tijden verwarmt. Of infraroodverwarming bij een bureau waar iemand een paar uurtjes zit te werken. Het is dan onnodig om het gehele gebouw op te warmen. Heel plaatselijk kan dan voor een korte periode een behaaglijke werkplek worden gecreëerd.   

Ontwerpers tip

Elektrische vloerverwarming, elektrische CV ketels en infraroodverwarming zijn als hoofdverwarming verboden. Je zal dus op zoek moeten naar een alternatief. In de markt zijn de afgelopen jaren meerdere oplossingen gekomen die een goed alternatief kunnen bieden. Een ventilatieretourwarmtepomp is daar bijvoorbeeld een voorbeeld van. Deze haalt zijn warmte uit de af te voeren lucht van het gebouw en hergebruikt deze om weer nieuwe warmte te maken.
Er zijn tegenwoordig meerdere soorten kleine luchtwarmtepompen, van bijvoorbeeld 4kW, te verkrijgen. De prijs van deze installaties is misschien wel hoger dan een CV ketel, maar in het verbruik is het ook vele malen gunstiger, waardoor je deze dus terugverdiend over tijd.
Als deze nog te duur zijn is er een All-electric systeem wat een soort van hybride oplossing is tussen een elektrische cv en een warmtepomp. Het rendement is hiervan een stuk lager dan van een normale warmtepomp, maar wel toegestaan volgens de EPBD III, omdat het rendement beter is dan een elektrische CV ketel en daarmee wel binnen de norm valt. Het systeem werkt vergelijkbaar als een hybride warmtepomp i.c.m. een gasketel, maar dan is alles elektrisch.
Pelletkachels zijn nu nog toegestaan, maar de vraag is hoe lang dat nog wel wordt toegestaan. Ook hier zijn de eerste geluiden al dat dit een negatief effect heeft op het milieu, denk aan fijnstof, stikstofuitstoot en geuroverlast. Voor the time being zou dit ook nog een alternatief kunnen zijn voor de verwarmingsinstallatie.

VENTILATIE EN SPUIVENTILATIE

Verblijfsruimtes zonder ramen: voldoet jouw ontwerp wel aan de gestelde voorwaarden?

Stiekem komt dit probleem toch regelmatig voor: een verblijfsruimte maken waar geen te openen deel aanwezig is. Vaak zijn dit kleine kamertjes die als 2e of 3e slaapkamer dienen, of een speelkamer waar een gedeelte van de woonkamer afgesloten kan worden door middel van een deur. Een andere veelvoorkomende situatie is een ruimte die geen ramen heeft in de gevel, maar voorzien is van dakkoepels voor daglichttoetreding. Vaak wordt hier het spuien vergeten. Soms is het helemaal niet wenselijk om een te openen deel in de gevel te hebben. Denk bijvoorbeeld aan een zwaarder belaste gevel door geluid en als doof gezien moet worden. 

Verblijfsruimte

Maar om deze ruimte als verblijfsruimte te zien moet deze voldoen aan een aantal voorwaarden. De ruimte moet bijvoorbeeld hoog genoeg zijn en er zijn in veel gevallen eisen aan de breedte van de ruimten. Bij een aantal gebruiksfuncties zoals woonfunctie moet de ruimte ook beschikken over een bepaalde hoeveelheid daglicht. Er moet worden geventileerd. Deze laatste categorie is opgedeeld in 2 soorten ventilatie: ventileren door middel van een ventilatiesysteem en het spuien van de ruimte.    

Wat is het verschil tussen spuien en ventileren? 

Spuien en ventileren lijken heel erg op elkaar en worden ook vaak verward met elkaar. Het heeft allebei met het verversen van lucht in de ruimte te maken, maar het heeft een ander doel. Ventileren is bedoeld om Co2, vieze geuren en woonvocht, dat ontstaat bij het koken, douchen en ademen, te verwijderen uit het gebouw. Het is bedoeld om een gezond leefklimaat te creëren en ervoor te zorgen dat vochtproblemen worden voorkomen zoals schimmelvorming. Spuien heeft een heel ander doel. Dit is bedoeld om in geval van calamiteiten in 1 keer een grote hoeveelheid lucht te verversen in de ruimte. Natuurlijk wordt dit van oudsher gebruikt om ook te ventileren, maar met de komst van de ventilatiesystemen is dit een ondergeschikte en minder efficiënte manier van ventileren. Een calamiteit kan bijvoorbeeld zijn dat je een ei laat aanbranden tijdens het koken. De ruimte vult zich met rook die je zo snel mogelijk uit het gebouw wilt hebben. Een ander voorbeeld is dat je spuien gebruikt om de ruimte te koelen. Door in de nacht of vroeg in de ochtend alle ramen en deuren open te zetten, kan je de temperatuur in de ruimte snel verlagen.   

Ontwerpers tip

De tip is heel simpel en voor de handliggend: zorg dat iedere verblijfsruimte een te openen deel heeft. Dit te openen deel hoeft helemaal niet zo groot te zijn. Houd er wel rekening mee dat klepramen veel minder scoren dan normale, volledig te openen ramen. Te kleine klepramen zorgen voor te weinig capaciteit waardoor de toets niet voldoet. Kom je in een situatie waarin het echt niet mogelijk is om een raam te openen, dan is er een alternatieve oplossing. Vaak komt zoiets voor bij een transformatie of een bestaand bouwwerk. Je kan ook spuien via het ventilatiesysteem. Er moet dan wel voldoende aanvoer en afvoer geregeld kunnen worden. Met een mechanisch ventilatiesysteem kan op de maximale stand  net zoveel lucht uit de ruimte ververst worden wanneer dat vergelijkbaar is met een te openen raam. Bij natuurlijke ventilatie gebeurt dit vaak door middel van een afsluitbaar dak- of geveldoorvoer die in geval van calamiteiten opengezet kan worden. Belangrijk aandachtspunt is dat de lucht ook uit de ruimte afgevoerd moet kunnen worden. In de ruimte is natuurlijk altijd een deur aanwezig die opengezet kan worden, maar houd er rekening mee dat het afzuigpunt niet helemaal aan de andere kant van het gebouw zit. Deze moet in de buurt zijn van de te spuien verblijfsruimte. Let er bij slaapkamers op dat er geen afzuigpunt in de slaapkamer aanwezig is in verband met geluid.
In situaties waarbij er een geluidsbelasting is op de gevel, zou je kunnen kiezen voor een voorzetscherm zoals bijvoorbeeld de Metaglas Silent air. Dit is een glazen plaat die, op enkele afstand, voor het te openen raam wordt geplaatst. Rondom de rand van de glazen plaat is een suskast geplaatst die het geluid smoort. Op deze manier kan er wel worden geventileerd, maar vindt er geen geluidsoverlast plaats.   

Ventilatie & NEN 1087: is jouw ontwerp wel conform de nieuwste normen?

Dit is een beetje een technisch verhaal, waarbij je met het ontwerpen niet bewust van bent. Het staat ook niet omschreven in de BBL, maar verscholen in de NEN beschreven. Gelukkig is de impact vaak klein op het ontwerp, maar als je het van te voren weet had je misschien in eerste instantie een andere ontwerpbeslissing gemaakt. Deze situatie komt hoofdzakelijk bij toiletten voor. Vaak wordt er een extra voorportaaltje bij het toilet gemaakt die uitkomt op een gang. Vanuit de verblijfsruimte wordt er lucht afgevoerd onder een deur door naar de gang (1e opening). Van de gang wordt de lucht naar het portaal  getransporteerd (2e opening) om vervolgens in het toilet (3e opening) afgevoerd te worden naar buiten. Dit is niet toegestaan. Deze voorwaarde staat omschreven in de NEN 1087 hoofdstuk 5.1.3.2.2. lid c2. Er mogen maar maximaal twee overstroomcomponenten deel uitmaken van het luchtstromingtraject. De reden hierachter is dat de lucht een te lang traject moet afleggen en beïnvloed kan worden door andere luchtstromen waardoor de onderdruk die gecreëerd wordt door de afzuiging in het toilet zijn kracht verliest en onvoldoende werkt. 

Ontwerpers tip

De oplossing voor bovenstaand probleem is het verwijderen van een deur. Of de deur tussen de gang en het portaal of de deur tussen het toilet en het portaal moeten worden verwijderd. Een ander alternatief kan zijn om een toevoer te maken in de gang die vervolgens in het toilet wordt afgezogen. Dit is echter zonde omdat het op deze manier niet bijdraagt aan het afvoeren van Co2 en woonvocht in het gebouw en ook wel een kostbare oplossing is. Beter is om de toilet binnen 2 deuren van een verblijfsruimte te situeren.   

Ventilatie & binnenruimtes: haalt jouw ontwerp wel genoeg frisse lucht direct van buiten?

Net zoals daglicht moet in een verblijfsruimte de ventilatielucht direct van buiten worden aangevoerd en niet via een andere ruimte worden toegevoerd. Dit probleem zien wij nog weleens bij inpandige ruimtes die niet direct grenzen aan de buitengevel. Vaak zijn dit ook entresols op een verdieping boven een verblijfsruimte die niet grenzen aan een gevel. Er is 1 uitzondering waarbij dit wel voor een deel mag. 50% van de totaal te verversen lucht in een verblijfsruimte mag van een andere ruimte komen. Deze lucht wordt dan in dezelfde ruimte afgezogen of naar een andere ruimte getransporteerd om daar vervolgens afgezogen te worden. Let op het maximaal aantal overstroomcomponenten! Zie ook: ‘Ventileren door meer dan 3 deuropeningen is niet toegestaan’. Dit passen wij nog wel eens toe bij natuurlijke ventilatie waarbij het niet wenselijk is of niet mogelijk is om voldoende verse lucht via de ventilatieroosters binnen te halen. In dat soort situaties kan deze regel een oplossing zijn.   

Ontwerpers tip   

In de situatie dat een verblijfsruimte niet direct grenst aan een gevel is het te overwegen om de ruimte samen te voegen bij de omringende verblijfsruimte. De ruimte wordt dan niet volledig gescheiden door muren en deuren van de omringende verblijfsruimte. Denk bijvoorbeeld aan een roomdivider, een halfhoog muurtje of laat de deur weg. Let wel op de minimale eisen van een verblijfsruimte. Indien dit niet wenselijk is kan er worden overwogen of het ventilatiesysteem niet gewijzigd moet worden van een C-systeem naar een D-systeem. Op deze manier kan je de lucht van buiten via het ventilatiesysteem in de verblijfsruimte brengen zonder dat dit wordt bevuild door lucht uit een andere ruimte. Dit is naast meer vrijheid ook een stuk energiezuiniger.

DAGLICHTTOETREDING

Daglichtopeningen dicht bij de erfgrens: beperkt dit onbewust jouw ontwerpmogelijkheden?

Sommige ontwerpers laten zich nog wel eens verrassen in negatieve zin, door een kozijn dicht op de erfgrens te plaatsen. Niet alleen moet dit kozijn vaak brandwerend uitgevoerd worden, ook zijn er beperkingen met betrekking tot de daglichttoetreding. In artikel 4.147 lid 3b (nieuwbouw) of artikel 3.82 lid 2b (bestaande bouw) van het bouwbesluit staat namelijk dat kozijnen die binnen een afstand van 2 meter t.o.v. de erfgrens geplaatst worden niet meegenomen mogen worden in het bepalen van de hoeveelheid daglichttoetreding van de woning. In de toelichting van de BBL staat nader uitgelegd tot waar die 2 meter gemeten moet worden. Haaks op het projectievlak moet de afstand groter zijn dan 2 meter. Het projectievlak staat gedefinieerd in de NEN 2057 als: “vlak dat zich bevindt aan de binnenkant van het gevelvlak en dat wordt gehanteerd als referentievlak bij diverse stappen van deze bepalingsmethode”. Met andere woorden de binnenzijde van bijvoorbeeld de kalkzandsteen of HSB wand. Deze regel geldt niet alleen voor de begane grond maar ook voor de verdiepingen. Belangrijk detail voor de bepaling of dit wel of niet aan de orde is, is het haaks meten op het projectievlak. Bij rijwoningen die allemaal naast elkaar zijn gebouwd, is de inkijk in de tuin bij de buren dus geen probleem. Zouden we een lijn trekken vanuit het hart van het kozijn, dan loopt de lijn parallel met de erfgrens van de buren. De erfgrens met de achterburen kruist daarentegen wel deze dergelijke lijn, maar hierbij is de maat over het algemeen groter dan 2 meter.  

Burenrecht  

Naast het BBL is er nog een tweede regelgeving die iets over deze situatie vindt. In het burenrecht staat namelijk dat, wanneer een kozijn binnen 2 meter van de erfgrens gesitueerd is, deze geblindeerd moet worden, tenzij de buren toestemming hebben gegeven dat dit niet hoeft (BW artikel 5:50). Dit betekent dat het kozijn beplakt moet worden met een zicht werende folie of moet worden voorzien van melkglas.  

Ontwerpers tip

Probeer zoveel mogelijk weg te blijven van de erfgrens met kozijnen. Dit zorgt in de meeste gevallen voor hoge kosten en niet echt een toevoeging aan het woongenot, omdat de kozijnen maar voor weinig daglicht zorgen in de woningen. Let met het indelen van de woningen of appartementen op de posities van verblijfsruimten. Plaats deze altijd aan de zijde van het gebouw waar de minste belemmeringen aanwezig zijn. Plaats in ruimten waar geen daglicht voor vereist is in het midden of aan de zijde waar de erfgrens zit. Kan het echt niet anders met de indeling van de appartementen, probeer dan indien mogelijk met het gebouw op het kavel te schuiven, zodat het kozijn net buiten de 2 meter grens valt. Een ander alternatief is om de kamer samen te voegen met een andere ruimte zodat het appartement als studio gezien wordt. Het overschot aan licht in de woonkamer kan dat gebruikt worden voor het oppervlakte wat eraan is toegevoegd.

Daglichttoetreding: is jouw ruimte-in-ruimte concept wel kansrijk?

Een creatieve oplossing die wij nog wel eens voorbij zien komen is het ruimte in ruimte principe. Over het algemeen zijn het slaapkamers die in de woonkamer geplaatst zijn en niet aansluiten bij een gevel. Verwacht wordt dat het daglicht via een andere ruimte in de slaapkamers gehaald kan worden. Dit is helaas niet toegestaan volgens de bouwregelgeving. Daglicht moet direct van buiten in een verblijfsruimte treden. De gedachte erachter is dat objecten die in de ruimte worden geplaatst voor de nodige belemmeringen zorgen waardoor er onvoldoende daglicht in de verblijfsruimte terechtkomt. Zonder deze objecten is het overigens ook maar de vraag of er voldoende daglicht in de ruimte komt. Als je de situatie zou beschouwen als of het een buitenruimte was geweest en de verdiepingsvloer wordt gezien als een overkragend balkon, dan zou er in deze situatie ook onvoldoende daglicht toetreden in de verblijfsruimte. Met andere woorden: een kansloze missie.       

Gelijkwaardigheidsoplossing  

Toch zijn er situaties waarbij er mogelijk wel een gelijkwaardigheidsoplossing geboden kan worden. Door een daglichtsimulatieberekening te laten maken, is het in sommige gevallen mogelijk om daglicht in een inpandige ruimte te krijgen. Situaties die hiervoor geschikt zijn, zijn situaties waarbij een rondgang in een gebouw aanwezig is. De verblijfsruimten grenzen aan een gang die tussen de gevel van het gebouw en het raam van de verblijfsruimte in zitten. De afstand tot de gevel is beperkt en er kunnen geen grote objecten in de gang worden geplaatst die het inkomende daglicht belemmeren.     

Ontwerpers tip  

Een ruimte in ruimte situatie waarbij er geen directe aansluiting is met de gevel is in 99% van de situaties kansloos. Vermijd ten alle tijden dit soort situaties in je ontwerp. Naast daglicht moet een verblijfsruimte ook voldoen aan ventilatie en spuicapaciteit. Met een hoop trucjes zouden we het wellicht voor elkaar kunnen krijgen om het zo te laten voldoen aan de wet- en regelgeving, maar van een prettige en functionele ruimte kunnen we niet spreken. Hiervoor zal je toch echt terug moeten naar de tekentafel en een beter plan bedenken. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk met een daglichtsimulatieberekening dit te laten voldoen, maar in de meeste gevallen zal dit leiden tot een te donkere muffe ruimte. Een oplossing die vaak als alternatief gekozen wordt, is het laten vervallen van de wanden en de ruimte samenvoegen bij de (in veel gevallen) woonkamer. Daarnaast wordt de indeelbaarheid van de ruimte hierdoor ook nog eens beter. De gebruiker kan dan met een roomdivider zelf de indeling bepalen. Een tussenvariant die ook geaccepteerd wordt is een halfhoge muur die niet aansluit bij het plafond. De wanden vormen fysiek een scheiding tussen de twee gebieden, maar het vormt nog wel 1 ruimte. Let wel op de regelgeving m.b.t. eisen van een verblijfsruimten. Houd bijvoorbeeld een doorgang van 1,8 meter vrij tussen de twee ruimten in. Hierdoor kan het gezien worden als 1 verblijfsruimte.     

 

Dakkapellen: Hoe smal of laag kan je dakkapel zijn in relatie tot daglichttoetreding?

Vooral in gebieden waar oudere gebouwen staan worden vanwege esthetische overwegingen kleine, smalle dakkapellen toegepast. Deze dakkapellen hebben een breedte die kleiner is dan 1,8 meter. Helaas voldoen deze dakkapellen niet aan de regelgeving en kunnen we deze dakkapellen vaak niet meenemen in de daglichttoetreding waardoor er geen verblijfsruimte gemaakt kan worden op die plek.
De 1,8 m is de minimale breedte van een verblijfsgebied. Een daglichtopening moet in een verblijfsgebied liggen om meegeteld te worden met de daglichttoetreding. In de situatie dat de breedte kleiner is dan 1,8 meter voldoet de situatie dus niet aan de wet- en regelgeving.
Hetzelfde gebeurt bij situaties waarbij de dakkapel lager is dan 2,6 meter, wat de minimale hoogte is voor een verblijfsruimte. Er ontstaat zo een afstand tussen het raam en de verblijfsruimte wat niet voldoet aan de wet- en regelgeving. 

Bepalingsmethode NEN 2057

Er is echter een bepalingsmethode waarbij kan worden afgeweken van bovenstaand. In de NEN 2057 (daglichtnorm) is een bepalingsmethode bepaald, waarbij de verhouding tussen de breedte en diepte van de dakkapel het toch mogelijk maakt om te voldoen aan de daglichteis. Als een dakkapel relatief ondiep is, is het toch mogelijk om te voldoen. De breedte van de dakkapel moet gedeeld worden door de diepte van de dakkapel tot de 2,6 meter lijn waar het verblijfsgebied begint. Als dit getal groter is dan 1,5 dan mag het daglichtoppervlakte meegeteld worden in de toets. Is het kleiner dan 1,5 meter, dan voldoet de situatie niet en is er in theorie geen daglicht aanwezig.
Hetzelfde geldt voor te lage dakkapellen: De breedte van de dakkapel wordt gedeeld door de diepte tot de 2,6 meterlijn van het verblijfsgebied en moet groter zijn dan 1,5.  

Ontwerpers tip  

Is het esthetisch vereist dat er met smalle dakkapellen wordt gewerkt, zorg dan dat er een andere mogelijkheid is voor de daglichttoetreding. Dit kan een raam in de zijgevel zijn of een dakraam in de achtergevel. Is dit niet mogelijk, probeer dan de afstand tot het verblijfsgebied zo klein mogelijk te houden waardoor de verhouding het meest gunstig is. Om dit te bepalen kan je de breedte van de dakkapel delen door 1,5 om de maximale afstand tot het verblijfsgebied te bepalen. Dus een dakkapel van 1,2 meter breed mag maximaal 0,8 meter van de verblijfsruimte af zitten. Als dit niet mogelijk is zou overwogen kunnen worden om een daglichtsimulatie  uit te voeren waarbij we op basis van gelijkwaardigheid uitrekenen hoeveel daglicht er toetreedt in de ruimte. 

 

Kozijnen: Kun je wel smalle en lage kozijnen toepassen in jouw ontwerp?

In de verschillende ontwerpen die wij zien bij onze projecten, komen wij alle soorten kozijnen tegen: lang, smal, breed, hoog, ga zo maar door. Er zijn een aantal type kozijnen, waarbij wij een lager resultaat zien in de daglichttoetreding dan verwacht. Bij deze kozijnen is er wel een groot oppervlakte aanwezig, maar door de grote belemmeringen blijft er relatief weinig equivalent daglichtoppervlakte over. Resultaat is dan vaak dat een ruimte niet voldoet aan daglichttoetreding volgens de wet en regelgeving. De 2 type kozijnen zijn smalle kozijnen en lage kozijnen. Allebei de types hebben een relatie met de wanddikte. Hoe dikker de wand, des te eerder treedt het probleem op. Vooral bij appartementengebouwen is dit een probleem omdat de totale wanddikte daar vaak dikker is, doordat het casco zwaarder uitgevoerd moet worden in verband met geluid. Maar belemmeringen voor de daglichttoetreding zijn toch overstekken en aanbouwen? Klopt, maar ze kunnen ook veroorzaakt worden door de eigen constructie waar ze in zitten.    

Smalle kozijnen  

Hoe dikker de wand is, des te breder moet het kozijn zijn om niet belemmerd te worden door de eigen constructie. Daglicht wordt berekend vanaf het projectievlak. Het projectievlak ligt in de meeste situaties op de binnenzijde van de binnenwand. De alpha belemmeringshoek van de daglichttoetreding wordt onder een hoek van 45 graden gemeten t.o.v. het hart van het kozijn. Is de helft van het kozijn smaller dan de dikte van de wand, dan geeft de constructie een belemmering voor de daglichttoetreding. De belemmering van de constructie vormt dan 2x een zijwaartse belemmering.

Lage kozijnen  

Bij lage kozijnen, dus kozijnen met een beperkte hoogte, zie je een vergelijkbaar effect, maar dan niet op de horizontale belemmering alpha, maar op de verticale belemmering beta. Hoe lager een kozijn is, des te groter wordt de verticale belemmering. De verticale belemmering wordt gemeten vanuit het hart van het kozijn op het projectievlak aan de binnenzijde van de constructie. De beta hoek bepaalt overstekken die over het algemeen het zwaarste meetellen in de daglichtberekening.

Ontwerpers tip  

Kies je voor smalle of lage ramen, zorg er dan voor dat er voldoende aanwezig zijn in een ruimte om te voldoen aan daglicht en spuicapaciteit. Wees je bewust van de belemmeringen die veroorzaakt worden door de dagkanten van de constructie. Is het niet mogelijk om meerdere kozijnen toe te passen in de gevel, maak de kozijnen dan iets breder, zodanig dat je 2x de wanddikte aanhoudt als breedtemaat voor je kozijn. Zo heb je nooit last van belemmeringen van de constructie. Voor lage kozijnen is er helaas geen stelregel te noemen, anders dan het zo hoog mogelijk maken van het kozijn. Elke graad die je kan winnen zorgt voor een kleinere belemmering en dus meer daglicht. Twijfel je over de hoeveelheid daglicht in je verblijfsruimte, vraag dan naar een pre-scan bij de adviseurs van PH Bouwadvies.

 

Binnenruimte zonder buitengevel: hoe los je daglicht en spuien op?

Slaapkamer of kantoor met indirect daglicht. Deze oplossing zie je vaak bij gebouwen die maar aan één kant grenzen aan een buitengevel, of bij zeer smalle gebouwen. Het gaat dan om een ruimte binnen een andere ruimte, die zelf geen directe buitengevel heeft. Dit is vaak een kunstgreep om toch een tweekamerappartement te realiseren. Het gevolg is dat niet wordt voldaan aan de eisen voor daglichttoetreding. Want in het BBL staat dat een ruimte direct daglicht moet hebben. Daarnaast ontstaat er nog een ander probleem: de ruimte kan niet worden gespuid. Dit is voor een kantoorruimte in een kantoorfunctie niet van toepassing, maar dit geldt wel voor een slaapkamer of kantoor in een woonfunctie. Ontwerpers gebruiken vaak de term ‘onbenoemde ruimte’ als uitweg. Ruimten die niet voldoen aan het BBL of waarvoor geen duidelijke functie is toe te wijzen, worden dan ‘onbenoemde ruimte’ genoemd. Op papier betreft het een onbenoemde ruimte, maar in de praktijk wordt deze vaak als slaapkamer of kantoor gebruikt. De term ‘onbenoemde ruimte’ is overigens geen officiële term binnen het BBL en is daardoor niet rechtsgeldig. Sommige gemeenten keuren de term af, omdat ze hier niet op kunnen handhaven. Hetzelfde geldt voor de term ‘multifunctionele ruimte’, ook deze is niet legitiem. Tja dit kan van alles zijn en zo kunnen we natuurlijk gemakkelijk onder alle regeltjes uitkomen. .

Ontwerpers tip  

Probeer dit soort situaties te allen tijde te voorkomen. Het is niet zonder reden dat dit niet is toegestaan zonder afwijkingsmogelijkheden. Als het niet anders kan, kun je overwegen om de ruimte te combineren met een verblijfsruimte waar wel daglicht aanwezig is. De ruimte kun je dan scheiden door middel van een room divider. Hierdoor wordt het gezien als één verblijfsruimte en is er meer mogelijk. Voor de verkoopwaarde is dit nadelig, omdat het appartement dan als studio of eenkamerappartement wordt aangemerkt.
Gelukkig zijn er een paar oplossingen. De genoemde oplossingen zijn gelijkwaardigheidsoplossingen waar een gelijkwaardige situatie gecreëerd wordt als omschreven staat in de wet- en regelgeving. De gemeente kan ten allen tijde dit afkeuren. Het betreft in feite een voorstel om af te wijken van de standaardregelgeving.
Voor het daglicht zijn er mogelijkheden met een daglichtsimulatieberekening. In sommige gevallen kan het mogelijk zijn om een slaapkamer of kantoor in een ruimte te berekenen op daglicht. De afstand tot het raam of daklicht mag in dat geval niet te groot zijn en er moet een groot raam in de te berekenen ruimte zitten. Dit is vergelijkbaar met het principe van daglichttoetreding bij een overkraging van een balkon. Een slaapkamer helemaal achter in een woning kan natuurlijk nooit voldoen. Maar een slaapkamer met een afstand tot maximaal 2,5 a 3 meter heeft nog wel een kans van slagen. Daklichten kunnen eveneens bijdragen aan het realiseren van voldoende daglicht. Het is geen tovermiddel, maar voor bestaande bouw zou dit nog weleens een oplossing kunnen zijn. Ander alternatief zou een solartube kunnen zijn. Ook dit valt onder de gelijkwaardigheid. Een solatube functioneert als een lichtgeleider die daglicht via reflectie naar binnen brengt. Het ziet eruit als een lamp, maar reageert als daglicht. Is het bewolkt, dan zal er ook minder licht aanwezig zijn. Ook zal de lichtsterkte gedurende de dag wisselen, waardoor het voor de mens lijkt alsof het buitenlicht is. Houd er rekening mee dat het licht van buiten moet komen dus dat er via een leiding licht naar binnen moet kunnen worden gehaald. 

Voor het spuien van een ruimte kan gebruik worden gemaakt van een driestandenschakelaar op het mechanische ventilatiesysteem. Door dit op de hoogste stand te zetten moet er dezelfde hoeveelheid lucht worden geventileerd als minimaal omschreven staat in het artikel over spuien. Voor het spuien van een ruimte kan gebruik worden gemaakt van een driestandenschakelaar op het mechanisch ventilatiesysteem. Het principe zal werken, maar het liefste wil je toch een raam open kunnen zetten. Ook zal dit zorgen voor meer geluidsoverlast in de woning, omdat het systeem op volle toeren moet draaien. Hoewel het technisch mogelijk is, blijft de vraag of het ook wenselijk is.

 

OPPERVLAKTES

Dakkapel & verblijfsgebied: haalt jouw ontwerp de minimale eisen van 5 m²?

Wist je dat een verblijfsgebied een minimaal oppervlakte moet hebben van 5 m² om als verblijfsgebied aangemerkt te worden. Dit lijkt een waarde die je toch makkelijk zou moeten kunnen halen zou je zeggen, maar wij zien toch wel regelmatig dat dit niet wordt behaald. In de situaties dat het niet lukt om de 5 m² te behalen heeft dit in veel gevallen te maken met vrije hoogte in combinatie minimale breedte. Bij verblijfsgebieden op een verdieping, die te maken hebben met een hellend dak, wordt vaak geen rekening gehouden met voldoende vrije hoogte. Het oppervlakte wat voldoet aan de eisen van een verblijfsgebied, is dan in veel gevallen te klein. Een bijkomend probleem wat er dan vaak optreedt is dat niet wordt voldaan aan de minimale breedte van 1,8 meter, waardoor de gehele ruimte niet als verblijfsgebied kan worden aangemerkt. Het gevolg is dat een relatief groot deel van het gebouw ineens niet meetelt met het verblijfsgebied waardoor de 55% niet wordt behaald.

Ontwerpers tip    

Veel ontwerpers zullen het gebouw vooral vanuit de buitenzijde benaderen. Dit vormt ook vaak de kaders van het ontwerp. Denk bijvoorbeeld aan de goothoogte en nokhoogte van een gebouw. Bij het indelen van de bovenverdieping is het belangrijk om de 2600+ lijn goed op tekening te hebben staan. Dit geeft een beeld hoeveel ruimte er beschikbaar is voor de indeling van de verdieping. Houd er rekening mee dat het hier gaat om een verblijfsgebied en dat 2 verblijfsruimten naast elkaar één verblijfsgebied kunnen vormen. Dit wordt vaak vergeten. Let hierbij op dat er een verbindend stuk tussen de twee ruimten aanwezig moet zijn die minimaal 1,8 meter breed is. Dit mag een niet dragende scheidingswand zijn, maar geen constructieve wand. Een tweede aspect wat in de gaten gehouden moet worden is, dat het gehele gebied een minimale hoogte van 2,6 meter moet hebben. Hier mogen geen lagere delen in zitten, want dan wordt het gezien als 2 verblijfsgebieden. Daarnaast moet er voldoende daglicht, ventilatie en spuicapaciteit zijn om de gehele zone te voorzien. Alleen in deze situaties mogen verblijfsruimten worden gecombineerd tot één verblijfsgebied. 

Dakkapellen zijn ook vaak een oorzaak waardoor niet voldaan wordt aan de minimale vereisten van een verblijfsgebied. De dakkapel is vaak lager dan 2,6 meter en heeft in veel gevallen ook niet de breedte van 1,8 meter. Hiervoor gelden dezelfde eisen als hierboven staat omschreven. Kijk ook even bij de tip & trick over dakkapellen bij daglicht.     

Daglicht & verblijfsgebied: voldoet jouw ontwerp aan de aansluitingsregels?

In de NEN 2057 staat omschreven dat een daglichtopening moet grenzen aan een verblijfsgebied. Bij appartementengebouwen komt het nog wel eens voor dat de kleine kamer hierdoor in de problemen komt. In deze situaties wordt er een hapje van de ruimte afgesnoept om hier de meterkast te plaatsen die dan direct naast de voordeur is geplaatst. De breedte achter de meterkast in de kleine kamer is dan voldoende breed, maar ter plaatse van de gevel waar ook de meterkast zit, niet meer. Het enige raam in de kamer bevindt zich in een stuk dat niet breder is dan 1,8 meter, waardoor deze niet mee mag tellen met het verblijfsgebied èn daardoor ook het raam niet mag meetellen in de daglichtberekening. 

Een andere situatie die ook regelmatig voorkomt is een verdieping waarbij verschillende hoogten de ruimte verdelen in twee afzonderlijke verblijfsgebieden. In werkelijkheid is het één ruimte, maar theoretisch zijn het twee afzonderlijke verblijfsgebieden. Het raam dat in het ene verblijfsgebied zit, mag niet meegeteld worden in het andere deel, ondanks dat de ruimten met elkaar in verbinding staan. Hetzelfde geldt voor ruimten die aan elkaar gekoppeld zijn, maar de opening is niet breder dan 1,8 meter (met een hoogte van 2,6 meter).

Ontwerpers tip    

Belangrijk is om rondom gevelkozijnen voldoende hoogte en breedte aan te houden. Vooral bij kleine ruimten is het belangrijk om hier aandacht aan te besteden. Teken bij een verdieping met hellend dak nauwkeurig de 2600+ lijn in zodat inzichtelijk wordt waar wel en waar geen verblijfsruimte gemaakt kan worden. Zorg dat deze met elkaar in verbinding staan volgens de eisen van een verblijfsgebied. Kijk voor dakkapellen bij de tips & tricks bij daglichttoetreding. 

Particulier opdrachtgeverschap & BBL: meer ontwerpvrijheid?

Bij de andere onderwerpen hebben we eerst een omschrijving van een probleem. Eigenlijk is dit onderwerp op zich een ontwerpers tip. We merken dat niet iedereen op de hoogte is van de mogelijkheden in het besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) en voorheen het Bouwbesluit 2012.  

Ontwerpers tip    

In het BBL (en voorheen het Bouwbesluit 2012) is een uitzondering gemaakt voor de wet en regelgeving op een aantal hoofdstukken en artikelen ten opzichte van de nieuwbouw eisen (artikel 4.9 van het BBL) . In de uitzonderingen hoeft niet uitgegaan te worden van nieuwbouw eisen, maar mag uitgegaan worden van bestaande bouwniveau. Dit geldt alleen voor woningbouwprojecten die een particuliere opdrachtgever hebben, dus voor zichzelf bouwen. Zodra de woning niet voor eigen verblijf wordt gebouwd is het geen particulier opdrachtgeverschap. In de situatie dat iemand een twee-onder-één kap woning gaat bouwen, waarbij hij in één van de twee gaat wonen, valt de woning waarin hij gaat bouwen onder particulier opdrachtgeverschap. Verkoopt hij de andere woning, dan moet deze voldoen aan nieuwbouw eisen. Is er een tweede persoon die samen met hem het plan ontwikkelt, dus twee particuliere opdrachtgevers, dan kunnen beide woningen gezien worden als particulier opdrachtgeverschap. 

De gedachte achter deze regel is meer vrijheid geven aan de particuliere bouwer. Hij heeft er immers zelf last van als dit niet goed wordt ontworpen. De voordelen aan een particulier opdrachtgeverschap is dat bepaalde hoofdstukken niet gelden voor particulier opdrachtgeverschap. Zo is er geen 55% toets, geen 1,8 meter eis voor een verblijfsruimte, geen buitenberging en geen buitenruimte vereist. Voor een aantal andere hoofdstukken mag uitgegaan worden van bestaande bouw. Hierdoor voldoet een verblijfsruimte met 0,5 m² equivalent daglichtoppervlak, een verdiepingshoogte van minimaal 2,1 meter en hoeft de trap niet te voldoen aan nieuwbouw eisen. Dit alles maakt het ontwerpen van een particuliere woning een stuk eenvoudiger. 

BBL en toegankelijkheid: hoe vertaal je de regels naar je ontwerp?

Toegankelijkheid is vaak een aspect dat kan leiden tot aanpassingen in het ontwerp. In hoofdstuk 4.6 van het BBL staat dat bij een bepaalde grootte van de gebruiksfunctie een toegankelijkheidssector aanwezig moet zijn. Aan een toegankelijkheidssector zijn eisen verbonden: een minimaal percentage van het gebouw moet toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers. Ook verplicht de toegankelijkheidssector maatregelen voor rolstoelgebruikers, zoals een miva-toilet of in sommige gevallen een mindervalide badkamer.
Het percentage van het oppervlakte dat toegankelijk moet zijn voor rolstoelgebruikers wordt berekend over het gebruiksoppervlakte. Bij meer dan 400 m² kantoorfunctie in een gebouw is een toegankelijkheidssector vereist (artikel 4.184, lid 3). Volgens artikel 4.185, lid 1, moet 40% van het verblijfsgebied toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers. Een situatie waarin een klein kantoor van 10 m² op de begane grond wordt omringd door lichte industriefunctie, en op de eerste verdieping 200 m² kantoorruimte aanwezig is zonder lift, voldoet dus niet aan de eisen. De plattegrond moet hierbij worden aangepast of er moet een lift worden geplaatst. Op die manier kan een rolstoelgebruiker ook de eerste verdieping bereiken.   

Ontwerpers tip    

Houd bij het indelen van de plattegronden artikel 4.184 in gedachten. Is er een toegankelijkheidssector aanwezig, zorg dan voor een miva-toilet. Bij meerdere verdiepingen is een lift de eenvoudigste manier om het gehele gebouw te laten voldoen aan de toegankelijkheidseisen en het vereiste percentage verblijfsgebied. In veel gevallen is het toepassen van een lift niet wenselijk, voornamelijk vanwege de kosten. In dat geval moet je dus rekening gaan houden met de indeling van je gebouw. Zorg voor een goede mix tussen gebruiksfuncties op de verschillende verdiepingen. Streef naar een zodanige verdeling dat voldaan wordt aan het vereiste percentage verblijfsgebied binnen de toegankelijkheidssector. Lukt het niet met je PVE om hieraan te voldoen, dan kun je altijd een gedeelte van je ruimte als niet verblijfsruimte / verblijfsgebied aanmerken (krijtstrepen). In dit soort gevallen mag er bijvoorbeeld (kantoorfunctie) geen bureau staan. Het belangrijkste is dat er tijdens het ontwerpproces al rekening wordt gehouden met deze regels uit het BBL.  

zonlicht PH bouwadvies

GELUID

Geluidwering casco's: welke combinatie werkt wel?

In de geluidwering werken we met 3 soorten casco’s: casco’s met massa, veerconstructies en een volledig gescheiden casco zoals een casco met ankerloze spouw. De opbouw van deze casco’s werken volgens een bepaald principe om geluid te weren. Massa smoort het geluid doordat het geluid een massa in beweging moet brengen waardoor het energie verliest. Een veerconstructie smoort het geluid doordat de veer zoals een metal-studieprofiel de energie van het geluid opvangt. Een gescheiden constructie voorkomt contact waardoor geluid zich niet voort kan planten in de constructie. De casco’s hebben dus een eigen strategie om het geluid aan te pakken.
Bij de diverse projecten die wij doen, zien wij ook combinaties getekend worden tussen deze verschillende principes. Maar dit leidt eigenlijk altijd tot een constructie die niet werkt. Een veelvoorkomende combinatie die gemaakt wordt, is een te licht massacasco aangevuld met een HSB voorzetwand. Vaak zie je deze oplossing bij een trappenhuis omdat daarmee ook direct aan de isolatie eis wordt voldaan. Het idee is dan dat de voorzetwand het stukje massa opvangt. Het probleem wat hierbij ontstaat is dat misschien wel aan luchtgeluid eis wordt voldaan, maar niet aan de contactgeluideis. De overdracht van geluid naar een onder- of bovenliggende verdieping wordt onvoldoende geweerd, omdat het casco te dun is. De HSB wand die daar aan vast zit, helpt daar onvoldoende in mee. 

Een tweede veelvoorkomende combinatie is het ankerloze casco met een massa casco. Het ankerloze casco wordt bij 99% van alle rijwoningen in Nederland toegepast. Dit casco weert voldoende geluid in dit soort situaties, omdat er geen verticale geluidsoverdracht plaatsvindt naar een andere woning. Bij een gestapelde is dit wel aan de orde en dan zie je dat dit principe te kort schiet. Horizontaal is er voldoende geluidwering maar verticaal is er onvoldoende massa om het geluid te weren. Er treedt dan contactgeluid op naar de onder- of bovengelegen verdieping. Niet alleen bij scheidingswanden middden in het gebouw, maar ook aan de kopgevels gaat het fout. Hier heeft de kopgevel wand onvoldoende massa. De dikte bij een dergelijk principe moet dan of 214 mm kalkzandsteen met kwaliteit CS20 zijn of 175 mm met kwaliteit CS36 (hoogbouw). 

Ontwerpers tip

Bedenk van tevoren welk cascoprincipe je wil gaan hanteren en houd je aan de spelregels. Ga geen casco’s combineren! Voordat je gaat ontwerpen zoek dan uit welke principes en dikten er aangehouden moeten worden. Voor een massacasco kun je aanhouden dat scheidingswanden met een andere woonfunctie en wanden die grenzen aan de algemene verkeersruimte een dikte moeten hebben van 300 mm dik. Een verblijfsruimte grenst dan aan deze wand. Voor kopgevels en overige ruimten (badkamer, berging, verkeersruimte), die grenzen aan een scheidingswand met woonfunctie of algemene verkeersruimte, moet de wand 214 mm dik zijn. Er kan gekozen worden voor een dunnere wand als er een zwaarder type casco wordt toegepast. Dit kan zijn in een zwaarder type kalkzandsteen zoals hierboven staat omschreven of een ander materiaal, zoals bijvoorbeeld beton. 

Twijfel je over het casco wat je wilt toepassen, neem dan contact op met PH Bouwadvies. Wij kunnen je helpen met het bepalen van de juiste afmeting van het casco en voorkom je dat het ontwerp op de kop moet.     

Technische ruimtes: hoe voorkom je geluidsoverlast?

Onze technische ruimtes worden steeds voller en voller. Waar vroeger alleen een cv-ketel in de technische ruimte hing, zijn de technische ruimten nu gevuld met mechanische afzuiging met WTW, warmtepompen en voorraadvaten. Al deze apparaten nemen niet alleen een hoop ruimte in, maar ze produceren ook nog eens geluid. Hiervoor zijn in het BBL eisen aan gesteld. In een verblijfsruimte mag niet meer dan 30 dB hoorbaar zijn van de installaties in de woning. Vooral de mechanische ventilatie-unit is vaak een apparaat dat het meeste geluid produceert in de technische ruimte. Grenst een technische ruimte direct aan een verblijfsruimte, denk hierbij aan een appartement waar de technische ruimte bij de keuken zit, dan isoleert in de meeste gevallen een standaard deur onvoldoende om het geluid te weren.     

Ontwerpers tip

Een standaard binnendeur heeft een geluidwering van ±16 dB. Afhankelijk van het merk en type van de mechanische ventilatie-unit ligt het geluid van een WTW -unit rond de 50 tot 60 dB. Hiermee wordt niet voldaan aan de 30 dB eis in de verblijfsruimte. De deur heeft dan extra aandacht nodig en moet dan als geluidwerende deur worden uitgevoerd. Beter is om de technische ruimte niet direct te laten grenzen aan een verblijfsruimte, maar deze via een gang te betreden. Er zitten dan minimaal 2 deuren van 16 dB tussen waardoor wel kan worden voldaan aan de 30 dB eis. Andere optie zou kunnen zijn om een installatie uit te kiezen die een lagere geluidsproductie geeft, maar dit is doorgaans lastig in de uitvoering omdat er dan vaak door een aannemer gekozen wordt voor een ander merk en type voor de mechanische ventilatie.              

ISOLATIE

Afvalruimte: hoe ontwerp je deze efficiënt en volgens de isolatie-eisen?

Net zoals een garage is een ruimte voor huishoudelijk afval een sterk geventileerde ruimte. Sterker nog, de ruimte wordt nog sterker geventileerd dan een garage, namelijk 10 l/s/m². Dit betekent dat dit gezien wordt als buitenruimte en moet deze ruimte dus rondom worden geïsoleerd. Gevels moeten worden voorzien van een isolatiewaarde van 4,7 m²K/W, plafond dient een minimale Rc waarde te hebben van 6,3 m²K/W. Zie ook het item over ‘isolatiewaarden bij overkragingen’. Doordat de ruimte sterk wordt geventileerd wordt deze gezien als buitenruimte en niet als interne scheiding. Vandaar dat hier Rc = 6,3 van toepassing is. 

Ontwerpers tip

Ontwerp de ruimte voor afval zo compact mogelijk en niet midden in je gebouw, maar zorg ervoor dat deze altijd aan 1 of 2 gevels grenst. Deze zal in veel gevallen al op deze positie worden ontworpen, omdat je hiermee naar de straat moet rijden. Desondanks zien wij dergelijke ruimten ver in een gebouw getekend. Dit zorgt voor grote oppervlakken die geïsoleerd moeten worden, wat leidt tot hoge bouwkosten en ruimteverlies. Ook zal er meer moeten worden geventileerd. De ventilatievoud gaat immers per vierkante meter.

Overkragingen isoleren: met welke waarde moet je rekening houden?

Architecten tekenen voor een overkraging vaak een constructie met een Rc-waarde van 3,7 of 4,7, maar dit is niet correct. Volgens het BBL artikel 4.152, lid 3, moet een horizontale constructie die in contact staat met de buitenlucht een Rc-waarde hebben van 6,3 m²K/W. De Rc-waarde van 3,7 is ook voor een horizontaal vlak, maar dan een dat in contact staat met een kruipruimte of grond. De Rc-waarde van 4,7 geldt voor een interne scheidingsconstructie. Dit geldt zowel voor de wand als voor de vloer. Een ruimte die sterk geventileerd wordt wordt gezien als buitenruimte en zal dus moeten voldoen aan 6,3 i.p.v. 4,7.

Ontwerpers tip

Houd voldoende rekening met de vrije hoogte en met de afmeting van je kozijnen. Houd minimaal rekening met een dikte van het isolatiepakket van 160 – 180 mm (afhankelijk van de afwerking), maar het liefst nog iets meer. Het verjongen van de constructievloer is niet altijd mogelijk en leidt bovendien tot hogere kosten. Wanneer er wordt gewerkt met een houten regelwerk, is er meer ruimte nodig. De regels veroorzaken namelijk warmteverliezen, waardoor de Rc-waarde afneemt.

BRANDVEILIGHEID

Rechtens verkregen niveau: wanneer is het van toepassing bij verbouw?

Het rechtens verkregen niveau is een term die alleen bij bestaande bouw voorkomt. Binnen de bestaande bouw worden drie toetsingsniveaus gehanteerd: het bestaande bouwniveau, het rechtens verkregen niveau en het nieuwbouwniveau. Het rechtens verkregen niveau is het niveau waar destijds vergunning op is verleend en is dus het actuele kwaliteitsniveau. Op het moment dat een gebouw wordt verbouwd, zijn in veel gevallen de nieuwbouweisen van kracht, waarbij als uitgangspunt het rechtens verkregen niveau mag worden gehanteerd (artikel 5.4 lid 1 + artikel 5.5 lid 1). Het rechtens verkregen niveau zal nooit hoger moeten zijn dan nieuwbouweisen (artikel 5.5 lid 3) en nooit lager dan bestaande bouw eisen (artikel 5.5 lid 2). Het rechtens verkregen niveau ligt tussen deze twee niveaus in. Er is nog weleens verwarring met deze regel als men een gebouw gaat transformeren. In diverse documenten over transformatie en het rechtens verkregen niveau staat dat bij functiewijziging van een gebouw de regels voor bestaande bouw mogen worden toegepast. Dat geldt alleen wanneer het gebouw niet wordt verbouwd. Bijvoorbeeld een oud schoolgebouw wordt getransformeerd naar appartementen. Eén lokaal wordt één appartement. Alle vluchtruimten blijven gelijk aan de bestaande situatie in de school. Het gebouw wordt niet uitgebreid en de vluchtroute blijft ongewijzigd. In dit geval is bestaande bouw van toepassing. Zodra het gebouw wordt aangepast—bijvoorbeeld door een extra vloer aan te brengen of de vluchtroute te verleggen—is er sprake van een verbouwsituatie. Dan is het rechtens verkregen niveau van toepassing, en niet het bestaande bouwniveau. Het toevoegen van een verdiepingsvloer in een hoog gebouw of het uitbreiden van een bedrijfshal met een aantal vierkante meters (groter dan het maximale brandcompartiment volgens nieuwbouwniveau) zal dus zorgen voor een verbouwsituatie, waarbij het rechtens verkregen niveau van toepassing is. Dit kan betekenen dat een extra brandcompartiment moet worden gecreëerd.Als er in de bestaande situatie geen voorschrift in het Bbl geldt—bijvoorbeeld daglicht bij transformatie van een bijeenkomstfunctie naar woningen—dan mag worden uitgegaan van het bestaande bouwniveau.

Als voorbeeld. Stel: een hal van 2700 m² wordt uitgebreid met 200 m². Het maximale brandcompartiment volgens nieuwbouw is 2500 m², het maximale brandcompartiment volgens bestaande bouw is 3000 m². Het rechtens verkregen niveau is 2700 m². Omdat het hier een verbouwing betreft (veranderen, vernieuwen of vergroten van een bouwwerk), is het maximum per brandcompartiment gelijk aan het rechtens verkregen niveau van 2700 m² en mag de 200 m² niet zomaar worden toegevoegd, ook al blijft men onder de grens van bestaande bouw. Dit kan eventueel wel gerealiseerd worden via een gelijkwaardigheidsverklaring, bijvoorbeeld op basis van NEN 6060, waarin wordt aangetoond dat de hoeveelheid equivalent vurenhout onder de gestelde grens blijft. 
Een ander veelvoorkomend voorbeeld is de transformatie van een kantoorfunctie naar appartementen met vluchttrappen. In de bestaande situatie (het rechtens verkregen niveau) zitten twee trappen: één centrale trap in het gebouw en één hele lelijke stalen trap aan de zijkant van het gebouw. De architect wil deze stalen trap verwijderen ten behoeve van het ontwerp en de indeling. Het rechtens verkregen niveau is twee trappen. Dit betekent dus dat er minimaal twee vluchtroutes teruggebracht moeten worden of voldaan moet worden aan de nieuwbouweisen. De regels voor een enkele trap volgens bestaande bouw zijn in dit geval niet van toepassing.

Ontwerpers tip    

Bij elke transformatie waarbij wordt verbouwd, is het essentieel naar de bestaande situatie te kijken. Bepaal het rechtens verkregen niveau en neem dit als uitgangspunt in het ontwerp. Indien bepaalde onderdelen niet wenselijk zijn, zoals de trap in het voorbeeld, kijk dan of nieuwbouweisen een passende oplossing kunnen bieden. Zorg dat je de minimale ondergrens van bestaande bouw in de gaten houdt en dat je nooit slechter bouwt dan bestaande bouwniveau.

Vluchtroutes begane grond: wanneer zijn het er echt twee?

Om veilig een gebouw te kunnen ontvluchten zijn vaak twee vluchtroutes nodig. De vluchtroutes worden aan twee zijden van het gebouw gepositioneerd zodat de vluchtlengte zo kort mogelijk blijft. Op de begane grond gaat het in sommige gevallen mis. De twee gescheiden vluchtroutes komen dan samen in één centrale hal met één centrale entree. In dat geval kan niet langer worden gesproken van twee afzonderlijke vluchtroutes. De vluchtroutes moeten van begin tot eind van elkaar gescheiden zijn om als individuele vluchtroute aangemerkt te kunnen worden. Bij voorkeur monden de twee vluchtroutes niet naast elkaar uit, maar in twee verschillende gevels. Alleen dan kunnen de ruimtes gezien worden als individuele vluchtroutes.

Ontwerpers tip    

Loop het volledige traject van beide vluchtroutes na en controleer of ze ergens samenkomen. Het moeten twee volledig gescheiden routes zijn. Het is toegestaan om vanuit een enkele vluchtroute over te gaan naar twee routes, maar niet andersom. Bij binnenstedelijke bouw, waarbij het gebouw aan drie zijden is ingesloten, moet de entree worden opgesplitst in twee volledig gescheiden delen. Beide delen moeten volledig brandwerend van elkaar gescheiden zijn. Wat je ook kan doen is één mooie hoofdentree maken en één “achterdeur” die niet al te veel ruimte in beslag neemt. Het is immers maar een vluchtroute. Zolang er maar de mogelijkheid bestaat om te kiezen uit twee vluchtroutes.

Portiekontsluiting: wanneer voldoet een enkel trappenhuis nog?

BBL artikel 4.69 lid 4, maakt het mogelijk om met een beperkt aantal woningen te vluchten over één trap. In de nota van toelichting wordt dit een portieksituatie genoemd. Wanneer woningen direct worden ontsloten vanuit een trappenhuis, spreekt men van een portieksituatie. In de praktijk komt het regelmatig voor dat deze regel ruim wordt geïnterpreteerd. Het trappenhuis wordt dan uitgebreid met doodlopende gangen, waarop meer dan één appartement is aangewezen. Het wordt een soort mini corridor waarbij mensen in de situatie van brand langs een ander appartement moeten vluchten. Ondanks de toepassing van vrijloopdrangers en brandwerende deuren, kan dit de vluchtroute belemmeren en wordt de situatie daarom vaak afgekeurd door de brandweer.
Artikel 4.69, lid 4, uit het BBL kent twee varianten. De eerste variant staat maximaal zes wooneenheden toe per trappenhuis, bij een maximale hoogte van zes meter of maximaal 800 m² aan woonfunctie, inclusief nevenfuncties daarvan, bij een maximale hoogte van 12,5 meter. De appartementen mogen niet groter zijn dan 150m². Daarnaast staat dat op deze vluchtroute uitsluitend woonfuncties en nevenfuncties daarvan toegestaan zijn. Juist op dit punt gaat het in de praktijk vaak mis. Regelmatig worden op deze vluchtroute ook functies zoals een parkeergarage, kantoor of winkel ontworpen. Dit is dus niet toegestaan.

Ontwerpers tip    

Een trappenhuis zorgt voor verlies aan verhuurbaar oppervlak. Het is begrijpelijk dat een ontwikkelaar de beschikbare ruimte zoveel mogelijk wil benutten. Maar een gebouw moet wel veilig zijn. Indien gekozen wordt voor een enkel trappenhuis, zorg er dan voor dat deze voldoet aan de omschrijving van een portiek. Dit betekent dat er geen extra gangen aan het trappenhuis toegevoegd mogen worden om alsnog meerdere appartementen te ontsluiten. Voorkom vooral het vluchten langs een ander appartement. Dit zijn situaties die onwenselijk zijn voor de vluchtveiligheid. De volledige vluchtroute wordt aangemerkt als een extra beschermde route en moet daarom voldoen aan brandklasse B. Dit betekent dat alle materialen onbrandbaar moeten zijn. Voor beloopbare vloervlakken is hier een versoepeling op gemaakt en moeten de vloeren minimaal voldoen aan brandklasse Cfl. Dit betekent onder meer dat een houten trap doorgaans niet aan deze eis voldoet. Ook moet er rekening gehouden worden met de afwerking van de vloeren. Het is voor de mensen die daar wonen de enige vluchtroute om naar buiten te komen. Indien deze ruimte onbruikbaar wordt, zijn de bewoners volledig afhankelijk van deze route en kunnen zij het gebouw niet verlaten. Ontwerp deze route dus zo veilig mogelijk. In de praktijk wordt vaak gezien dat alle meterkasten zich in de vluchtroute bevinden. Volgens artikel 4.76, lid 1, is het toegestaan om een meterkast in de vluchtroute te plaatsen, mits de vuurlast niet hoger is dan 3.500 MJ. In de praktijk zal het erop neerkomen dat één of twee meterkasten geen probleem zullen vormen. ij meer dan twee meterkasten is het de vraag of nog aan de eisen wordt voldaan. Daarnaast is een meterkast vaak een veroorzaker van een brand in een woning. Het is de vraag of deze zich op de meest kwetsbare plek van de vluchtroute zou moeten bevinden.

Vluchten langs appartement: mag dat bij een galerijwoning?

Vluchten langs een ander appartement’ staat in de top 10 van veelvoorkomende knelpunten in woongebouwen. In woongebouwen met tussen de tien en dertig appartementen worden doorgaans slechts één of twee buitentrappenhuizen gerealiseerd. Het merendeel van de appartementen heeft een goede vluchtroute, maar voor enkele woningen is gekozen voor een minder optimale oplossing: een plaatsing in een doodlopende galerij. Vaak moeten dan één of twee appartementen langs een ander brandcompartiment (appartement) vluchten. Vaak wordt er dan gedacht dat het niet uitmaakt omdat het een buitensituatie betreft. Niks is minder waar. In geval van brand in een van de appartementen waar meerdere woningen langs moeten vluchten, kan een situatie ontstaan waarbij de vluchtroute wordt geblokkeerd door vlammen of hitte. Bewoners kunnen dan niet meer langs dit appartement vluchten en raken opgesloten op de galerij. Binnen vijf minuten na het uitbreken van een brand springen doorgaans de ramen, waarna vlammen naar buiten slaan. De regel stelt dat je maximaal één woning na een trappenhuis mag toestaan. 

Ontwerpers tip    

Probeer situaties zoals deze te voorkomen. Maak aan het einde van de galerij een vluchttrappenhuis of zorg voor een andere vluchtmogelijkheid, zoals een rondlopende galerij. Als er echt geen alternatieve oplossing mogelijk is, bestaat er één uitwijkmogelijkheid. Stel: er bevinden zich twee appartementen na de trap, appartement één en twee. Appartement 2 moet langs appartement 1 vluchten om bij een trappenhuis te komen. Alle ramen en deuren van appartement één aan de galerijzijde kunnen worden voorzien van 30 minuten WBDBO-brandwerendheid, en de voordeur kan worden uitgerust met een vrijloopdranger. Op deze manier krijgt appartement twee de mogelijkheid om binnen 30 minuten veilig te worden verlaten. Beschouw deze oplossing als een uitzondering en gebruik deze niet als standaardontwerp. Breng ook niet meer dan één appartement in deze situatie. Het is een gelijkwaardigheidsoplossing die door de brandweer afgekeurd kan worden indien zij het beoordelen als onveilige situatie. Onze ervaring is dat dit in de meeste gevallen geaccepteerd wordt door de brandweer. Dit biedt echter geen garantie dat het in alle gevallen wordt toegestaan. Dit is ter beoordeling van de brandweer.

Vide en vluchten: wat als je hoger zit dan 4 meter?

Niks is mooier dan een gebouw waarin verschillende verdiepingen visueel met elkaar verbonden zijn via een vide. Dit kan echter een probleem vormen: binnen een brandcompartiment moet dan worden gevlucht over een hoogte van meer dan vier meter. In artikel 4.66 lid 6 staat: “Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.” Met andere woorden, de vluchtroute mag niet hoger zijn dan 4 meter. Dit heeft te maken met de wijze van vluchten en de beperkte tijd waarin mensen hun adem kunnen inhouden bij het vluchten door rook. Wanneer de verdiepingshoogte meer dan vier meter bedraagt en de verdiepingen via een vide zijn verbonden, wordt mogelijk niet aan de eisen van dit artikel voldaan.

Ontwerpers tip    

Om te voldoen aan de regelgeving zijn er twee mogelijke oplossingen: (1) het trappenhuis aanmerken als een (extra) beschermde vluchtroute, of (2) het aanbrengen van een horizontale brandscheiding per verdieping.
1) Het trappenhuis krijgt een beschermde status waardoor het buiten het subbrandcompartiment valt waar de brand kan ontstaan. Het trappenhuis fungeert dan als veilige zone waarin personen kunnen schuilen en frisse lucht kunnen inademen zonder blootstelling aan rook. Deze methode vereist dat het trappenhuis volledig wordt omgeven door brand- en rookwerende wanden, waardoor een open trapopstelling niet mogelijk is. Voor het ontwerp niet altijd wenselijk. 

2) Een tweede methode kan zijn om een horizontale scheiding te maken op elke verdieping. Hiermee creëer je in feite twee afzonderlijke torens. Beide torens moeten een eigen vluchtroute hebben. Het gebouw beschikt in dat geval over twee stijgpunten en twee afzonderlijke vluchtroutes. Indien dit er maar één is, vlucht je nog steeds over een hoogte van meer dan 4 meter. Voor grotere gebouwen met drie of meer bouwlagen is deze methode aan te bevelen. Indien elke bouwlaag als afzonderlijk brandcompartiment wordt uitgevoerd (principe van een lasagna), kunnen problemen ontstaan met brandoverslag tussen de lagen. Dit risico kan worden beperkt door de bouwlagen onder elkaar binnen één brandcompartiment onder te brengen. Let er wel op dat het maximale oppervlak van het brandcompartiment niet wordt overschreden. De vluchtlengte naar een ander brandcompartiment blijft in deze opzet beperkt. Er wordt voldaan aan de eis van maximaal vier meter hoogteverschil, omdat er geen trap nodig is voor ontvluchting. Bovendien wordt brandoverslag tussen bouwlagen voorkomen en is inpakkingen van trappen niet vereist.