Inleiding

Per 1 januari 2011 is de EPC voor nieuwbouwwoningen van 0,8 naar 0,6 verlaagd. De verandering van het Bouwbesluit op dit punt is 22 oktober 2010 gepubliceerd in de Staatscourant. In 2011 wordt tevens de nieuwe norm EPG van kracht.

De nieuwe norm

De nieuwe norm – EPG – zal in de loop van 2011 beschikbaar komen. De markt krijgt de tijd om hiervoor software te ontwikkelen en bouwpartijen zullen tijdig hiervan op de hoogte worden gesteld. NEN 7120 wordt ontwikkeld als opvolger van NEN 5128 ‘Energieprestatie woningen’ en NEN 2916 ‘Energieprestatie utiliteitsbouw’. De nieuwe norm NEN 7120 is echter nog niet vastgesteld door NEN. Daarom is de invoering van de EPG uitgesteld. De nieuwe norm EPG zal aangepast zijn op de laatste stand van de techniek en de Europese regelgeving en daarmee toekomstbestendig. Wat de aanscherping van de EPC precies gaat betekenen voor de bouwpraktijk, is echter nog niet voor alle betrokkenen in de praktijk helemaal duidelijk. Er leven dan ook nog allerlei vragen en verschillende fabels doen de ronde.  Hieronder zijn voor de bouwpraktijk de belangrijkste Feiten en Fabels gebundeld. Het oorsponkelijke document is groter en bevat meer informatie.

Vragen en antwoorden

De vragen en antwoorden zijn als volgt ingedeeld:
I  Over de inhoud van de EPC
II  Over de financiële consequenties;
III Over de gevolgen voor het ontwerp en technische consequenties;
IV  Over de effecten op de gezondheid van bewoners en het binnenmilieu;

I Over de inhoud van de EPC

1. Wat zijn de consequenties van de aanscherping voor de bouwpraktijk?

Om de kwaliteit van bouwen te verbeteren moet een extra inspanning geleverd worden. Bijvoorbeeld door beter te isoleren en te detailleren. Daarnaast zal de luchtdichting verbeterd moeten worden. Met de huidige installaties kan ook de aangescherpte eis gehaald worden. Er zullen echter vaker nieuwe technieken (zonneboilers/pv/douche-wtw) naast beproefde technieken (HR-ketels/warmtepompen) gebruikt moeten worden om aan de aangescherpte EPC te voldoen. Bouwstudio PelserHartman heeft binnen de eigen projecten een uitgebreide studie gedaan naar de (on)mogelijkheden. De resultaten hiervan treft u hier aan.

2. Komt er ook nadere regelgeving voor bestaande gebouwen?

In de huidige bouwregelegving is de EPC eis ook van toepassing bij grootschalige renovatie. In het kader van de Europese regelgeving (EPBD) zal in 2011 en 2012 een vertaling worden gemaakt naar de Nederlandse regelgeving. Naar verwachting zal dit in 2013 in werking treden.

3. Wat is het verschil tussen de norm (EPN, EPG/EMG) en de eis EPC?

De norm EPN of in de toekomst EPG/EMG geeft de bepalingsmethode aan, de eis (EPC) geeft het niveau aan waaraan de woning of het utiliteitsgebouw minimaal moet voldoen. De EPC wordt op dit moment berekend met de huidige bepalingsmethode EPN en in de toekomst EPG.
Naast de EPG bestaat ook de EMG-norm. EMG staat voor EnergieMaatregelenGebied. De rekenmethode van de EMG is vastgelegd in de NVN 7125. Binnen de EPG methode wordt in de toekomst de mogelijkheid geboden om gebiedsmaatregelen, zoals stadsverwarming, grootschalige windenergie en PV, te waarderen. Zo’n gebiedsmaatregel kan dan doorgerekend worden met de EMG-methode. Het resultaat van deze gebiedsmaatregel(en) mag dan vervolgens verdisconteerd worden in de EPG-berekening.

4. Wat is de relatie tussen EPC en werkelijk energiegebruik?

Allereerst valt op te merken dat de EPC niet bedoeld is om het werkelijk energiegebruik te berekenen. Met de EPC wordt op basis van gebouweigenschappen, gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewonersgedrag een integrale beoordeling van energiezuinigheid van een woonfunctie/woongebouw of utiliteitsgebouw gegeven. Het berekende energiegebruik is het gebouwgebonden energiegebruik onder standaard condities, en niet het werkelijke energiegebruik.

Met de EPC kan dus de energieprestatie van woningen in kaart gebracht worden. De EPC geeft echter geen oordeel over het werkelijke energiegebruik van een gebouw. Het werkelijke energiegebruik is namelijk sterk afhankelijk van de bewoner; oude mensen hebben de verwarming vaak een graadje hoger, tieners gaan vaker onder de douche en een stel zonder kinderen is relatief weinig thuis. Dit gedrag leidt in ieder huishouden tot een ander energiegebruik. Bovendien wordt het energiegebruik van een huishouden niet alleen bepaald door het gebouwgebonden gebruik, ook het niet gebouwgebonden (huishoudelijk) energiegebruik komt er nog bij. Denk hierbij aan het gebruik van verlichting, computers, televisie en alle overige apparaten. De resultaten van een EPC-berekening kunnen dus niet vergeleken worden met de gegevens uit de meterkast.

Er zijn een aantal variabelen die niet direct met het gebouw, maar met de werkelijke situatie te maken hebben. Daardoor kan het werkelijke (gemiddelde) energiegebruik sterk afwijken van het gebouwgebonden energiegebruik onder standaardcondities. Het gebouwgebonden energiegebruik van een woning met een EPC van 0.6 is overigens gemiddeld 25% minder dan wanneer uitgegaan wordt van een EPC van 0.8. Zie voor meer informatie de studie van ECN/RIGO.

5. Is bij een EPC=0 sprake van een energieneutraal gebouw?

Nee, het ligt mede aan de definitie van een energieneutraal gebouw. Bij een EP(C) van nul is er sprake van een energieneutraal gebouw voor zover het over het gebouwgebonden energiegebruik onder standaardomstandigheden gaat.

6. Kan er een negatieve EPC voorkomen?

In de huidige methode (NEN 5128 en NEN 2916) kan dat niet. In de huidige structuur kan alleen het gebouwgebonden energiegebruik gecompenseerd worden. Eventuele overproductie van duurzame energie wordt niet gewaardeerd.

7. De EPC komt niet rechtsreeks overeen met het werkelijke energieverbruik van een gebouw, wat drukt deze eenheid wel uit?

Met de EPC wordt op basis van gebouweigenschappen, gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewonersgedrag een integrale beoordeling van energiezuinigheid van een woonfunctie/woongebouw of utiliteitsgebouw gegeven. Het berekende energiegebruik is het gebouwgebonden energiegebruik onder standaardcondities. De werkelijkheid kan sterk afwijken door verschil in gebruikersgedrag, temperatuur en een niet goed ingeregelde installatie.

De EPC waarde ontstaat uit de berekening van het gebouwgebonden energiegebruik in MJ, gedeeld door het toelaatbaar energiegebruik. Dit laatste hangt samen met het aantal m2 en het verliesoppervlak van de woning. Op deze wijze kan voor elke woning dezelfde eis worden gehanteerd.

8. Wordt voor een nieuwbouw woning/gebouw nu automatisch bij een bouwvergunning een energielabel geleverd?

Nee, bij nieuwbouw wordt niet automatisch een label afgegeven. Een energieprestatie berekening is 10 jaar na dato geldig als vervanging voor een energielabel. Als uw woning in 1996 of later is gebouwd, is vooraf de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) berekend. De berekening is tegelijk met de aanvraag voor de bouwvergunning ingediend bij de gemeente. Als de bouwvergunning niet langer dan tien jaar geleden is aangevraagd, kan de eigenaar de EPC-berekening overhandigen in plaats van het energielabel. Op deze manier voldoet de eigenaar aan zijn         labelplicht.

Let op: de EPC-berekening is niet geldig als energielabel. De EPC is niet hetzelfde als de energie-index van het energielabel. EPC en energie-index worden op een verschillende manier bepaald. Wel geldt zowel voor EPC als voor de energie-index: hoe lager, hoe zuiniger de woning.

9. De overheid is verantwoordelijk voor de gerealiseerde EPC

Nee, de overheid is niet verantwoordelijk voor het voldoen aan de EPC. Zoals bij alle Bouwbesluit gerelateerde onderwerpen is de gebouweigenaar verantwoordelijk voor het voldoen aan de regelgeving. Ten allen tijde dient aan het Bouwbesluit voldaan te worden (dus ook na oplevering). Formeel gezien kan de overheid  handhaven en aanschrijven als installaties zodanig worden gewijzigd waardoor niet meer aan de EPC-norm voldaan wordt.

II Over financiële consequenties

10. Wat betekent de aanscherping voor de woonlasten?

De bouwkosten zullen omhoog gaan omdat er meer voorzieningen getroffen moeten worden om een EPC van 0,6 voor woningen te realiseren. De woning wordt wat duurder, maar het levert ook een energiebesparing en daarmee een woonlastenverlaging op. In de meeste gevallen zullen de woonlasten dalen tot ongeveer € 200,- per jaar (bij hypotheekrente van 6 %, grondquote van 0% en een prijsstijging van de energietarieven met 5%). Bij deze berekening is geen rekening gehouden met eventuele subsidies. Bij de varianten met een warmtepomp stijgen de woonlasten met €800 tot €1400,- per jaar. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat een warmtepomp een aanzienlijke verbetering van het comfort inhoudt door de mogelijkheid om de woningen in de zomer te koelen.

III Over de gevolgen voor het ontwerp en technische consequenties

11. Is er nog voldoende ontwerpvrijheid of resteren alleen nog maar “dichte bunkers”?

Uit de DGMR/Techniplan studie blijkt dat voor verschillende referentiewoningen verschillende maatregelpakketten mogelijk zijn om de lagere EPC te kunnen halen.

12. Hoe is de balans tussen de waardering van bouwtechniek versus installatietechniek?

De balans tussen de waardering van bouwtechniek en installatietechniek is natuurlijk een balans die continu aandacht behoeft. Bouwtechniek en installatietechniek worden beide gewaardeerd in de EPC bepalingsmethodiek. Voor de aanscherping zijn zowel bouwkundige als installatietechnische maatregelen te treffen. Zie verder ook de DGMR/Techniplan studie.

IV Over de effecten op gezondheid van bewoners en het binnenmilieu

13. Levert de aanscherping extra risico’s op voor binnenmilieu/ gezondheid?

Uiteraard mag energiezuinig bouwen niet ten koste gaan van de kwaliteit van de woning. De uitdaging is dus om een combinatie te maken van energiezuinig én gezond bouwen. Onderzoek naar de mogelijkheden om te komen tot een  EPC van  0,6 wijst uit dat dit mogelijk is. Bepaalde energiebesparende maatregelen vereisen echter wel zorgvuldigheid tijdens het hele bouwproces om een gezond binnenmilieu veilig te stellen.

Een voorbeeld van een installatie die met zorg en kundigheid moet worden toegepast is de gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning. Met dit systeem kan veel energie bespaard worden. Belangrijk hierbij is wel dat dit systeem zorgvuldig ontworpen wordt (beperking van geluidklachten, aanbrengen van spuiventilatie), en dat het systeem goed ingeregeld en doorgemeten moet worden. Daarnaast moet er worden gezorgd voor een goede bereikbaarheid van de filters en de bewoner moet een duidelijke op hem toegesneden handleiding en instructie krijgen.

Een ander punt waar het ontwerp van de woning in moet voorzien, is het voorkomen van oververhitting in de zomerperiode. In de EPN worden woningen met een hoge kans op oververhitting ‘gestraft’ doordat de EPC hoger uitvalt. Er wordt in die gevallen in de methodiek aangenomen dat gebruikers van een woning, die te warm wordt, op een gegeven moment een losse airco zullen aanschaffen om het comfort in de woning op peil te houden. Uiteraard gaat in die situatie het energiegebruik van de woning omhoog.

De EPN probeert dus te stimuleren vooraf maatregelen te treffen die oververhitting beperken. De warmte in de zomer kan met bouwkundige voorzieningen buiten gehouden worden, zoals het strategisch plaatsen van ramen en de toepassing van overstekken en buitenzonwering. Maar ook een warmtepomp kan de oververhitting tegengaan omdat deze in de zomerperiode (door middel van vrije koeling) de woning kan afkoelen.

Een andere belangrijke maatregel is het terugbrengen van de infiltratie; de onbedoelde ventilatie door kieren en naden. Hiervoor moet de kierdichting goed verzorgd zijn, maar dat blijkt in de bouwuitvoering niet altijd even eenvoudig te zijn. De architect kan in het bestek opnemen dat er praktijktesten gedaan moeten worden om de uitvoering van de kierdichting te controleren. Daarnaast moet er wel voldoende aandacht worden besteed aan mogelijkheden voor spuiventilatie.

Meer informatie
www.agentschapnl.nl/epn
www.nen.nl
www.isso.nl

De Gruyter Fabriek (Ingang F, tweede verdieping)
Veemarktkade 8

5222 AE ‘s-Hertogenbosch
tel: +31 73-6135729

Wij zijn onderdeel vanPH group logo